n van de merkwaardigste figuren uit de Nederlandse letterkunde is zeker Mr. Willem Bilderdijk. In het begin van de 19de eeuw troonde hij als vorst in het Rijk der Dichtkunst,of, wil men, als President in de Republiek der Letteren, (Te Winkel).
Evenals Staring behoort ook Bilderdijk nog gedeeltelijk tot de 18de eeuw; hij werd in 1756 te Amsterdam geboren. In de ouderlijke was weinig hartelijkheid, zijn vader een norse man en zijn moeder prikkelbaar. Daarbij kwam, dat de de jonge Bilderdijk erg aan huis gekluisterd was, vanwege een slecht behandelde wond aan een van zijn voeten. Het was daarom niet vreemd dat hij erg in zichzelf gekeerd was en wereldvreemd.
De tijd dat hij aan huis gebonden was gebruikte hij om te studeren. Door zijn talent en zijn goede geheugen, had Bilderdijk zich al op jeugdige leeftijd een grote kennis op allerlei gebied. Nadat hij vier jaar op het belastingkantoor van zijn vader had gewerkt, kreeg hij op vier en twintig jarige leeftijd toestemming om in Leiden te gaan studeren. Twee jaar later promoveerde hij in de rechten en vestigde zich als advocaat in Den Haag, waar hij in het huwelijk trad en een belangrijke rol speelde in de Prinsgezinde partij.
Bilderdijk had een allesbehalve gelukkig huwelijksleven. Bovendien raakte hij tot over zijn oren in de schuld. Toen in 1795 de Bataafse Republiek werd gesticht, moest Bilderdijk het land verlaten. Na omzwervingen ging hij in Londen wonen, waar hij met lesgeven probeerde de kost te verdienen. Hij ontmoette de schilder Sweickhardt, die ook in Den Haag gewoond had. Uit dankbaar heid voor de ondervonden gastvrijheid en geldelijke steun gaf Bilderdijk les aan de twee dochters van Schweickhardt, van wie de oudste,Katherina Wilhelmina, in 1797 zijn tweede vrouw. Dat deze stap voor een man als Bilderdijk moeilijk was, blijkt uit zijn gedicht Gebed. Hieruit blijkt dat hij een diep gelovig man was.
Kort daarna vertrok hij naar Brunswijk, waar in die tijd heel wat uitgeweken Hollanders woonden. Hij kreeg een kleine geldelijke toelage van de Hertog van Brunswijk en van de Prins van Oranje en trachtte verder met lesgeven en schrijven in zijn onderhoud te voorzien. Vooral uit de gedichten, die hij tijdens zijn ballingschap maakte, leren we Bilderdijk meer en meer als Calvinistische protestant kennen.
In 1806 kon hij naar zijn vaderland terugkeren. wat hij voelde bij die terugkeer, vinden we weergegeven in het gedicht Aan de Hollandse wal. hij gaf enige tijd les in het Nederlands aan koning Lodewijk Napoleon en kreeg een betrekking aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
Bilderdijks denkbeelden op politiek en godsdienstig gebied weken belangrijk van de algemeen heersende ideen in het begin van de 19de eeuw. bovendien was hij van mening, dat zijn bekwaamheden niet naar waarde geschat werden, zodat hij zich vaak jegens zijn beschermers zeer ondankbaar toonde. t Kan ook weinig verwondering wekken, dat hij zich vervreemdde en alleen kwam te staan. In 1810 liet hij zich in een brief als volgt uit:
.................De wareld is mij nu tot een volstrekte Hel geworden. O Hemel, wat doe ik op de wareld?..........Ik wil….....gaarne naar de wildernissen van Siberi, als ik maar vrij blijf van met mensen om te gaan en mensen te horen. wijzer en beter zijn zij toch niet te maken; en wie kan zonder eind het raaskallen dulden, dat voor wijsheid moet doorgaan? Raaskalde ieder nog maar op zijn eigen manier! Maar nee, men raaskalt elkaar na, en voor n hoofd, dat ieders eigen toont, vindt men er honderdduizend, die net doen of ze precies zo dachten, maar inderdaad niet denken, en slecht papagaaien. als ik van jongs af aan in een klooster geweest en was ik daar nooit uitgekomen, dan had ik mogelijk nog iets aan mijn leven gehad, maar ach, ik ben niet gestorven voordat ik mensen kende of leerde kennen. het idee dat men in iets op hun lijkt, is een hel en het is nog erger bij een ziel dat behoefte voelt om zich te uiten, en, uit neiging menslievend , weldoen… moet…......Ik wilde slecht, dat ik ongestoord in een van de Wereld, waar niemand mij kent, droog brood eten en zij aan zij met mijn vrouw rust vinden, ver van de mensen.
Bilderdijks grootste wens was professor te worden bij een Nederlandse Hogeschool. Onder Koning Willem I leek hij een grote kans te maken als zodanig te worden benoemd. er werd echter iemand anders benoemd en dat was voor Bilderdijk een bittere teleurstelling. hij was steeds meer in botsing gekomen met de beginselen die, op politiek en godsdienstig gebied heersten in het begin van de 19de eeuw. De raadslieden van Koning Willem I daarentegen stonden een gematigde, verzoeninggezinde politiek voor, die niet voorbijging aan het goede, wat de Franse revolutie gebracht had.
Bilderdijk gruwde bijvoorbeeld van de gedachte dat de macht van de koning werd beperkt door een grondwet en de afschaffing van de slavernij noemde hij een dolheid.
In 1817 vertrok hij naar Leiden, waar hem werd toegestaan als privaat-docent aan de universiteit colleges te geven over de geschiedenis van de Nederlanden. tot zijn leerlingen behoorden o.a. Da Costa en Groen van Prinsterer. reeds in die tijd schreef Bilderdijk, dat gelovige protestanten en katholieken n gemeenschappelijke vijand hebben en dat een vereniging van beiden nog wel mogelijk zou zijn. Wanneer we bedenken, dat nog in 1853 de grote liberaal Thorbecke door de katholieken tot lid van de Tweede Kamer gekozen werd en pas in t laatste kwart van de 19de eeuw tussen protestanten en katholieken onder Kuyper en Schaepman op politiek gebied tot samenwerking kwam, dan wordt het ons duidelijk hoever Bilderdijk afstond van de denkbeelden, die zijn tijd beheersten. Vast staat, dat hij door zijn Leidse colleges de vorming van de antirevolutionaire staatspartij heeft voorberid. Hoe Bilderdijk over het liberalisme van zijn dagen dacht, leren we uit een gedichtje Een liberaal, dat van 1824 dateert, waarin o.a. de volgende coupletten voorkomen:
Weg met douderwetschen praat
Van gestelde machten!
Waar de wareld rond van gaat,
Zijn de dommekrachten.
O wat rij gezegende Eeuw
Die wy thands beleven
Nu het razend volksgeschreeuw
Elk de wet mag geven!
t Strij met God, Geweten, Eer
Afgesleten namen!
Foei, dat al bestaat niet meer,
Die moet elk zich schamen!
Eenmaal was al heel veel vast
Aan het Landsbesturen
Nu kan t ieder weversgast,
Of- hij vraagt het aan zijn buren.
.................................
Domheid, dolheid, razerny,
Eertijds aan de keten,
Geef de wet der maatschappy,
Dat mag zalig heeten.
Dat is t recht der menschlijkheid,
Daar moet elk voor buigen;
En wie anders denkt of zeit,
t Fransche moordtuig staat bereid
Om hem te overtuigen
1824
Bilderdijk heeft zeer veel geschreven. Ziojn complete dichtwerken, die door zijn leerling Da Costa met een levensbeschrijving uitgegeven werden, beslaan 15 dikke delen. Behalve gedichten schreef hij ook tal van wetenschappelijk werken op het gebied van taal, letterkunde en geschiedenis, waarin hij echter niet altijd zijn fantasie voldoende aan banden legde.
De meeste vam zijn gedichten hebben een godsdienstige strekking. Maar er zijn ook een aantal balladen en romancen onder; daaronder verstaat men korte verhalende gedichten, waaein n enkele gebeurtenis verteld wordt, die op het gevoel diepe indruk maakt. Deze dichtsoort was op het eind van de 18 de en in het begin van de 19de eeuw in de mode. de inhoud van sommige van die balladen houdt verband met Bilderdijks vermeende afstamming van de graven van Teisterbant.
In 1827 vestigde Bilderdijk zich voor de gezondheid van zijn vrouw te Haarlem, waar hij in 1831 gestorven is.
Hoe men ook over hem oordeelt en welke gebreken en zwakheden men hem ook verwijten kan, zeker is, dat hij een uitzonderlijk begaafd man geweest is..
gevonden in:
Bloemlezing
uit
De Nederlandsche letterkunde
van 1800 tot 1880
Door C. Apeldoorn
oud-hoofd mulo-school Zaandam
leeraar HBS Amsterdam
en
J. E. Dijkstra
hoofd mulo-school Amsterdam
uitgeverij J. Muuses- 1933- Purmerend