Huet was aanvankelijk predikant, maar zijn moderne ideeen noopten hem ontslag te nemen; daarna was hij journalist, eerst in Holland, later in Indie; na zijn terugkeer in Europa vestigde hij zich in Parijs. Zijn roman Lidewijde (1868) verwekte grote verontwaardiging, wat Huet nogal verbitterde. Ten dele daaruit is zijn scherpe toon verklaarbaar.
Hij is tussen 186o en 1886 de belangrijkste criticus in Nederland; hij was enkele jaren medewerker en redacteur van De Gids en tussen hem en Potgieter ontstond een diepe vriendschap. De veel jongere Huet wijdde aan de oudere vriend bij diens dood de ontroerende Persoonlijke herinneringen aan Potgieter (1877). Huet kende de gehele oude en nieuwe binnen- en buitenlandse litteratuur, en zag zeer goed de gebreken van de Nederlandse letteren dier dagen. Hij spaarde zijn tijdgenoten niet; prees slechts enkelen, keurde zeer veel af. De tijd heeft hem gelijk gegeven.
Hij heeft de
eerste opkomst der Tachtigers nog beleefd, maar zijn pessimisme verhinderde hem het nieuwe naar waarde te schatten. Toch hebben de Tachtigers hem (en Multatuli en Potgieter) hun lof niet onthouden.
Zijn opstellen over oude en nieuwe schrijvers werden verzameld in 25 delen Literarische fantasiean en kritieken (1868 en volgende jaren). Zijn stijl is geestig, puntig, vlot en smaakvol.
Van 18821884 schreef hij Het land van Rembrandt, een cultuurhistorie van Nederland in de zeventiende eeuw, ingeleid door een kenschets van de vier daaraan voorafgaande eeuwen, welke hij achtereenvolgens groepeert om Olivier van Keulen, Graaf Jan van Blois, Thomas a Kempis en Erasmus, kenmerkend respectievelijk voor de eeuw van de kruistochten, van de verdeelde adel, van de mystiek en van het humanisme.