Boutens bezingt in zijn uiterst individualistische gedichten het langzaam groeiend bezef, dat het onbevredigbaar verlangen van de ziel om uit de aardse beperktheid op te stijgen naar de hemelse volmaaktheid haar goddellijke afkomst verraadt en dus haar grootste vreugde moet zijn. Zo wordt alle aanvankelijke weempoed om het derven tot een nieuw, blijvend geluk. voor wie de vreugde van dit platonisch verlangen kent, verliest de dood zijn verschrikking, terwijl anderzijds tijdens het leven het doodsverlangen niet optreeedt, daar de ziel juist verlangende het gelukkigste is,gelukkiger nog nog dan zij door de bevrediging van haar verlangen kan worden. Dn wordt ook de Aarde tot een voortdurende vreugd, want alom wordt een deel der schoonheid aanschouwd, welke afspiegeling is van volmaakte schoonheid generzijds. Door deze idee krijgt zijn pozie iets bovenmenselijks, iets onaards; zijn woord wordt ijl en breekbaar; zijn beeldspraak vol schijnbare contradicties.
