n van de eerste gedichten die ik op muziek heb gezet is het Dorslied van Ren de Clercq
Indertijd was ik op zoek naar leuke volksrijmen en ballades, en kwam in een boekje uit de Prismareeks dit gedicht tegen. Het sprak me toen erg aan, want had, kort daarvoor, een radiodocumentaire gehoord, waarin oude mensen uit Oost-Groningen aan het woord kwamen. Zij waren knechten geweest bij de Groningse herenboeren en zij vertelden over de behandeling die hen ten deel viel bij hun bazen. Deze oude mensen, ver in de tachtig, kregen nu,als zij hierover verhaalden, na vijftig jaar, alsnog driftaanvallen .
Zo ben ik bij Ren de Clercq terechtgekomen, voor mij toen een onbekende dichter, maar voor veel Vlamingen zijn de namen van Ren de Clerqc Emiel Hullebroek en Vlaanderen nauw verbonden.
De links naar de gedichten door mij op muziek gezet staan hiernaast
Uit de “Winkler Prins Encyclopedie van Vlaanderen”, uitg. Elsevier Sequoia 1973 heb ik nog de volgende informatie:
Ren de Clercq (Deerlijk 14 november 1877 – Maartensdijk 12 juni 1932). Schrijver, was sinds 1906 leraar aan het atheneum te Gent, week in het begin van de Eerste Wereldoorlog uit naar Nederland, waar hij “De Vlaamsche Stem” redigeerde, werd door de regering van le Havre ontslagen, keerde naar bezet Belgi terug, was tijdens de Eerste Wereldoorlog conservator van het Wiertzmuseum te Brussel, was als activist politiek zeer bedrijvig en werd hierom na de oorlog ter dood veroordeeld, maar vluchtte naar Nederland. Hij debuteerde in het spoor van Gezelle met eenvoudige, echter sterk geritmeerde en opgewekte liederen, waarvan verscheidene, als “Tineke van Heule”, “Moederke alleen” en “De gilde viert” (muz. van Emiel Hullebroeck) tot de levende liederschat behoren. De aanvankelijke levenslust maakte in De Clercqs tweede, socialistische, periode plaats voor opstandigheid en sociale aanklachten. (“Toortsen”, 1909, “Uit de diepten”, 1911) ; hij schreef toen ook enkele overladen, minder geslaagde romans. De oorlogsomstandigheden inspireerden hem eerst tot vaderlandslievende gedichten (“De zware kroon”, 1915), doch daarna tot forse en opstandige politieke strijdzangen (“De noodhoorn”, 1916) waarin opnieuw de krachtige ritmen uit zijn eerste periode opklinken. Zijn later werk omvat lyrisch-epische gedichten, bijbelse verhalen in verzen, bijbelse treurspelen en liefdeslyriek (“Meidoorn”, 1925). Werk : Pozie : Gedichten (1907 – 1911) ; Van aarde en hemel (1915, vermeerderd 1928) ; Tamar (1918) ; Maria Magdalena (1919) ; Het boek der liefde (1921) ; Nagelaten gedichten (1937) ; Overgebleven gedichten (1937). Proza : Het Rootland (1912) ; Harmen Riels (1913) ; Het zonnefluitje, onder pseud. H.C. Joesken (1926) ; Een wijnavond bij dokter Aldegraaf (1927) ; een bewerking van De Costers Uilenspiegel, Cervantes’ Don Quichote, en van Historie van Doctor Johannes Faustus (1931). Toneel : Kan, Saul en David, Absolom (in n band, 1934).
Voor nog meer informatie bekijk de biografie van Ren de Clercq
of deze pagina