“Rooms is hij in zijn voorliefde voor de gotisch bouwstijl; rooms in zijn opvatting opvatting over de vaderlandse geschiedenis; rooms tot in biografien toe,” schreef Busken Huet over Alberdingk Thijm;
zelf noemde hij zich graag “catholique avant tout.”
Sedert de hervorming had de Nederlandse letterkunde een overwegend protestants karakter gehad; de hele 18de eeuw had geen katholieke schrijver van betekenis voortgebracht. De Franse overheersing schonk aan de katholieken dezelfde rechten als aan de protestanten. Alberdingk Thijm is de eerste vertegenwoordiger van het katholicsme in de Nederlandse letterkunde van de 19de eeuw.
Josephus Albertus Albertingk Thijm werd in 1820 in een kunstzinnige familie in Amsterdam geboren. hij genoot alleen lager onderwijs en is een echte autodidact, d.w.z. iemand die zichzelf gevormd heeft. De liefde voor poëzie, muziek en beeldende kunst, die in het ouderlijk gezin heerste, heeft zeker grote invloed op hem gehad. Hij werd evenals Potgieter voor de handel opgeleid en lange tijd de leiding over een handel in “verduurzaamde levensmiddelen”. Daarna was hij enig tijd directeur van en uitgeverij en tenslotte van 1876 tot zijn dood in 1889 hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Tegen Bilderdijk als dichter zag hij hoog op. Bij diens borstbeeld schreef hij:
U min ik, Oude! met uw stroef geplooide trekken!
U, met dat starend oog, door borstels overbrauwd-
Met dezelfde onverschrokkenheid, waarmee Bilderdijk de Goden der eeuw bekampte, voerde Alberdingk Thijm strijd tegen achterstelling van de katholieken, waaraan in 1798 wel in naam een eind was gekomen, maar die in werkelijkheid nog steeds bestond. Hij hoopte op een overwinning van de katholieke kerk. In tegenstelling met Bilderdijk was Albertingk Thijm zeer verdraagzaam. Onder niet-katholieken had hij talrijke vrienden, oa. Potgieter, die bij Albertingk Thijms eerste optreden als dichter schreef: “Wij stellen het zeer op prijs op, hem te zien houden, wat zijn eerste optreden belooft;........wij wensen onze letterkunde geluk, in hem de ontwikkeling ener nieuw zijde, het Hollands-Catholijke, te zullen winnen.”

In 1876 droeg Albertingk Thijm én van zijn bekendste werken, Portretten van Joost van den Vondel, aan de nagedachtenis van Potgieter op op. in die opdracht gewaagd hij met grote dankbaarheid van hun grote vriendschap: “Ondanks al wat ons scheiddde had ik hem zeer lief.” Als katholiek had Alberdingk Thym natuurlijk grote belangstelling voor Vondel, die op rijpe leeftijd tot het katholicisme was overgegaan. Naar aanleiding van een vijftal losse taferelen uit Vondel’s leven. Lang niet alles in deze schetsen is historisch juist. Waar geschiedkundige gegevens te kort schoten, vult Alberdingk Thijms fantasie aan. Zelf noemde hij zijn Vondelportretten: “ene laatste aflevering tot het werk van mr.Jacob van Lennep” omdat bij Van Lennep de roomse Vondel naar zijn mening niet genoeg op de voorgrond trad.
De oudst bekende geschriften van de Nederlandse letterkunde dateren van eind 12de, begin 13de eeuw. Er bestaan wel ouder geschriften maar die zijn in het Latijns geschreven. Lezen en schrijven was in de vroege middeleeuwen voorbehouden aan de geestelijke. Met de opkomst van de derde stand veranderde dat, toen werd ook het Latijn gedeeltelijk door de landstaal verdrongen. Die landstaal verschilde heel wat van ons tegenwoordig Nederlands. Een boek, dat honderd jaar oud is, komt ons gewoonlijk door woordkeus, zinsbouw en spelling enigszins vreemd voor. Hoeveel te meer zal dat dan het geval zijn met werken, die zes- a zevenhonderd jaar oud zijn. Daar komt nog bij, dat de oudste letterkundige geschriften in de zuidelijke Nederlanden ontstonden (Limburg, Vlaanderen en Brabant), terwijl ons hedendaagse Nederlands in hoofdzaak de taal van de Noordelijke gewesten is. Dat oudste Nederlands, ‘t zogenaamde Middelnederlands, is dikwijls zonder speciale studie voor ons niet meer te begrijpen. In andere landen, waar de oudste schriftelijke overblijfselen tot nog vroeger eeuwen teruggaan, is het verschil tussen de oude taal en de moderne nog veel groter. ‘t Oudste Engels bv. gaat terug tot de 7de eeuw en is voor de Engelsen van tegenwoordig volkomen onbegrijpelijk.
In de tijd, toen die oudste geschriften ontstonden, als de boekdrukkunst nog niet uitgevonden. alles werd geschreven,
meestal op perkament. Soms werden zulke oude handschriften versierd met mooie hoofdletters of andere figuren. Dat ze heel duur waren spreekt voor zichzelf.
Tot de oudste voortbrengselen van onze letterkunde behoren de zogenaamde ridderromans, berijmde verhalen uit de middeleeuwse ridderwereld van soms aanzienlijke lengte. Waarschijnlijk werden ze door de minnestrelen op de ridderburchten voorgedragen. van de meeste van deze verhalen weten we niet, door wie ze gemaakt zijn en evenmin, wanneer ze precies ontstaan zijn. Verschillende zijn vertaald of bewerkt naar Franse modellen, enkel schijnen oorspronkelijk. dat is o.a. het met de Carel ende Elegast.
De herinnering aan de machtige Karel de Grote was onder het volk blijven voortleven. er bestonden liederen, die zijn helden figuur verheerlijkten. In tal van sagen speelde hij een grote rol, terwijl aan oude kronieken verschillende historische gegeven ontleend konden worden.