Petrus Augustus de Genestet was Nederlands remonstrants predikant en dichter en werd op 21 november 1829 geboren in Amsterdam.
Zijn vader heeft hij nooit gekend, zijn moeder verloor hij op jeugdige leeftijd. hij kwam eerst bij zijn grootmoeder in huis, bracht daarna enige tijd door op een kostschool te Barneveld en keerde naar Amsterdam terug om de Latijnse school te gaan bezoeken. Bij zijn oom, de kunstschilder Kruseman, werd hij gastvrij opgenomen. Hij studeerde aan het seminarium van de Remonstrantse Broedergemeente, dat toen in Amsterdam gevestigd was, in de theologie en werd in 1852 predikant te Delft.
De Remonstrantse gemeente te Delft bezat geen geld om een eigen predikant te betalen. De Genénestet kon dit ambt aanvaarden omdat hij bemiddeld was. Diezelfde omstandigheid stelde hem ook in staat om na de dood van zijn vrouw en zijn zoontje, in 1859, emiritaat aan te vragen en verder als ambteloos burger afwisselend in Amsterdam en Bloemendaal te wonen. Hij overleed in 1861 te Roozendaal in een herstellingsoord, waar hij vanwege zijn gezondheid heen was vervoerd.
Een van de meest bekende gedichten van De Génestet is zeker wel Het Haantje van den toren, waarin hij de innerlijke strijd beschrijft die een vriendin van hem te doorstaan had, voor zij eindelijk in haar lot leerde berusten en het fiat voluntas, Uw wil geschiede, kon fluisteren.
Die vriendin leed aan de tering,” de wrede kwaal, die langzaam moordt, als sluipend gif, en wis, als ‘t grievend staal.” Verandering van wind zou zou misschien zachter weer aankondigen en wellicht beterschap brengen. en. en hoopvol tuurt de arme lijderes elke dag weer opnieuw naar het haantje van de toren om elke dag weer opnieuw teleurgesteld te worden, want het haantje blijft onverbiddelijk noord wijzen, en eindelijk leert ze berusten. En als ze ” op een Junidag, vol zomerglans en geur,” begraven wordt, dan wijst het haantje “naar het zoele zuiden heen” Onwillekeurig vreagen we ons bij het lezen van dit gedicht ons af, of De Génestet er misschien een voorgevoel van had, dat ook hij zelf vroeg aan de tering zou sterven.
Uit veel van zijn gedichten blijkt, dat hij al vroeg vertrouwd was met de gedachte, dat hij eens van het leven zou moeten scheiden. Hij woonde dicht bij het kerkhof en noemde daarom zijn huis wel schertsend
Welgelegen
‘k noem mijn huis vol huwlijkszegen,
Kinderliefde en moedermin,
Somtijds lachend: Welgelegen;
Maar die scherts heeft droeve zin.
Hoezeer hij zijn jong gestorven vrouw heeft blijkt uit het gedicht dat hij “Liefde” noemde. Niet van de slanke bruid, niet van de jonge en teedre vrouw, niet van de moeder van zijn kinderen heeft hij het meest gehouden.
Neen,- die ik ‘t meest heb liefgehad,
Dat was mijn kranke; ‘t was de moede, de uitgeteerde,
Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
Toen wenend aan haar sponde zat.
Dat hij zich niet sterk voelde, valt af te leiden uit
Kracht
Ik wenste mij een koopren kop
koel, vaardig te aller uur
Al is dit gedicht eigenlijk een boutade, d.w.z. een geestige uitval, die een ietwat grappige indruk maakt, toch is maar al te waar, wat in het laatste couplet staat:
Deez’ prozawens, deez’ prozakreet
Is vol verborgen zieleleed.
Bekend is ook de boutade tegen ‘t Hollands klimaat:
O, land van mest en mist, van vuilen kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol kille dauw en damp
Vol vus onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!
Toch is De Génestet niet een somber man; integendeel, hij voelde zich gelukkig te midden van zijn gezin, zoals uit vele van zijn gedichten duidelijk blijkt. Ondanks zijn zwakke gestel hield hij van werken en nam hij opgewekt deel aan het geestelijk leven van zijn tijd.
P.A De Génestet schreef reeds zeer jong verzen en werkte o.a. mee aan de Muzenalmanak. In 1852 verscheen de bundel: Eerste gedichten (41865), in 1860 Leekedichtjens (51867) en in 1861 Laatste der eerste (51866). Belangrijk is zijn ‘Voorlezing’ Over kinderpoëzy (uitg. in het tijdschrift Nederland, 1858, afz. versch. 1865). Zijn bekendste gedichten zijn Sint-Nicolaasavond, Fantasio en De mailbrief (onvoltooid). De Genestets werk is in de 19de eeuw zeer populair geweest; het is ernstig en geestig, ironisch en weemoedig.
Uitgegeven dichtwerken, d. C.P. Tiele (2 dln., 1869, 161915; met levensschets); Bloemlezing, d. A.W. Stellwagen (1878); Nalezing. Leekedichtjes. Gedichten (1879); Leekedichtjens, d. H.U. Meijboom (1894, 21897; met inl. en aant.); Sint-Nicolaasavond, d. J.H. van den Bosch (1903, 31926); Compl. gedichten, d. H.L. Oort (1910, 91934; m. inl. en aant.); Fantasio en De mailbrief, D.G. Engels (1911); Uit de gedichten, d. J. Prinsen J. Lzn (1919); De mooiste gedichten, d. J.M. Acket (1919; met comm.); Gedichten, d. G. Engels (1927); Gedichten, d. G.A. Brands en R.W. Lieve
bron:
Bloemlezing
uit
De Nederlandsche letterkunde
Door C. Apeldoorn
oud-hoofd mulo-school Zaandam
leeraar HBS Amsterdam
en
J. E. Dijkstra
hoofd mulo-school Amsterdam
uitgeverij J. Muuses—- 1933—- Purmerend