Leven en Werk van Guido Gezelle
1 MEI 1 8 3 0 wordt Guido Gezelle te Brugge geboren als oudste zoon van Pieter Jan Gezelle en Monica Devriese.
Zijn vader is een rasechte Vlaming – `Pier Jan die geen Fransch en kan’ zegt hij met trots van zichzelf – die van moederszijde gerfd heeft : oorspronkelijkheid en ge zonde levenszin gevoeligheid voor klank en rhythme in , slagwoorden en spreuken, voor volkswijsheid in pittige vorm. Mijn wader was nen aardigaard (een origineel type) zal Guido later getuigen als om aan te geven waar zijn eigen dichterlijke aanleg zijn oorsprong vond. Eveneens bepalend voor de aard van zijn dichterschap zijn de wezenstrekken, van zijn moeder gerfd. Zij is een ernstig-vrome, tot beschouwen geneigde, ietwat levensschuwe vrouw, die haar diepste karaktertrek : een stille weemoed, in Gezelle heeft overgebracht. Wel zullen de diepe teleurstellingen in zijn leven Gezelle’s zwaarmoedigheid in de hand hebben gewerkt, maar ze moet in kiem aanwezig zijn geweest, want ook in gedichten uit de eerste gelukkige leraarsperiode is de mare onderteon der melancholie te herkennen. Dat Gezelle de van vader en moeder geerfde eigenschappen, als tegengestelde krachten in zich voelde werken, bewijst menig gedicht; dat bewijzen soms ook zijn reacties, die nu eens een mensenschuwe onzekerheid van optreden tenen, en dan weer een zelfbewustzijn, dat tot het koppige tee vasthoudt aan eigen inzicht.
Economisch gesproken heeft Gezelle het niet zo best getroffen: zijn vader is weliswaar een vakbekwaam tuinman, maar door de algemene crisis in de Vlaamse landbouw geraakt hij op een steeds lagere trap van welstand, terwijl de zorgen voor het groeiend gezin teenemen. Gebrek aan middelen, – maar geen gebrek aan karakter bij_ deze door en door Vlaamse ouders. Eenvoudig van wijze, waarachtig van aard, gehecht aan de familieband, trouw aan de voorvaderlijke tradities, doortrokken bovenal van het katholieke geloof in een haast nog Middeleeuwse beleving – dat hield hun Vlaams-zijn in.
Ook in zichzelf voelde Gezelle die waarden aanwezig:
`O Lieden van te lande, vrienden al
die ‘k heel mijn leven lang beminnen zal
omdat ik U het leven en
zoo menig dingen schuldig ben,
die niemand prijst dan hij die weet
wat edele giften God den armen landman geeft !’
En heel zijn leven door zullen wij zien hoe Gezelle. zijn krachten inzet om het Vlaamse volk besef van eigenwaarde bij te brengen, om, in bewustzijn van verleden grootheid, de aanwezige krachten tot nieuwe bloei te brengen.
Herbloei van Vlaamse grootheid, dat is voor Gezelle herbloei van Christelijke grootheid, want:
`Vlaamse munte,, wil zij deugen, moet
gangbaar zijn tot Roomen toe.’
Bewust sluit Gezelle zich hiermede aan bij een sterk streven in verschillende Europese landen, naar de herleving van een Christelijke cultuur, zoals de Middeleeuwen die gekend hadden, een streven waarvan in Nederland.Alberdingk Thijm de voorvechter is.
Laten wij Gezelle’s jeugd en opleidingsjaren nader bezien. De volksschool die Guido in Brugge bezoekt, heeft ondanks de breuk van 1830 tussen Noord en zuid-Nederland, blijkbaar nog een Hollandse traditie. Gezelle zelf vertelt tenminste later, dat zijn grondige afkeer van het stijve boeken-Hollands al dateert uit de tijd dat hij, op school dit onnatuurlijk taaltje al’s een soort stadhuis-Vlaams opgediend krijgt. Het onderwijs is primitief, maar de jongen, die een goed verstand heeft mag doorleren en begint op College Deri Dune te Brugge zijn middelbare studies. Financiele moeilijkheden thuis maken hier een einde aan, maar Gezelle zal zijn studie voort kunnen zetten op het klein-seminarie te Roeselare, mits hij als tegenprestatie portiersdiensten verricht.
Dit laatste stelt hem in staat om vanuit de beslotenheid van een streng gereglementoerd, verfranst instituut toch in contact te blijven met het Vlaamse volk en de Vlaamse taal, die juist onder de eenvoudige volksmensen – de hogere standen zijn geheel verfranst – nog leeft. In die taal `zoo zij uit de bronne vloeit, het herte en den mond des volks,’proeft hij de ziel van Vlaanderen. Dan al begint hij vast te leggen wat hij aan levend taalbezit te horen krijgt en ook zijn medeleerlingen weet hij in te schakelen
Bij dit woordjes `zanten’ (verzamelen). toch heeft dit portierswerk ook zijn nadelige.kanten: het vraagt voor-~ eerst veel van Gezelle’s studietijd maar bovendien moet het voor zijn gevoelige natuur dikwij1s pijnlijk zijn geweest op die manier tot de 1eerlingen en tegelijkertijd tot het dienstpersoneel te behoren.
Daarbij komt nog een andere kwelling: een angstvallige onrust over zijn priesterroeping.
Gelukkig weet zyn vader hem in eenvoud het goede woord te schrijven : “.Stelt “het in de handen van God gelijk de pot-aarde in de handers van den pottebakker. Betrouw uit vastelijk dat Hij van u een nuttig vat zal makers voor hem en u zelve. ”
Van 1850 tot 1854 is Gezelle weer terug in Brugge,waar hij op het groot-seminarie zijn laatste voorbereiding vooraf krijgt op het priesterschap. Rustiger jaren dan die gingen: Geen portierswerk meer en ook de onzekerheid over zijn roeping, die hem te Roeselare kwelde, is verdwenen. Een geregeld leven nu van studie en gebed, van concentratie op zijn toekomstige taak: dichter te zijn en priester. Een dubbele opdracht maar die door hem steeds is gevoeld als een onverbrekelijke eenheid in roeping.
In 1854. wordt Gezelle benoemd tot leraar aan het-zelfde klein-seminarie waar hij zijn opleiding heeft gehad. Boekhouden en Natuurlijke Historie behoren tot de hem opgedragen lessen, terwijl hij ook met het toezicht op de jongere leerlingen wordt belast.
Met veel enthousiasme werpt hij zich op zijn taak.Zijn vader roept hij te hulp voor het aanleggen van een tuin, waardoor hij zijn leerlingen aanschouwelijk onderwijs kan geven. Want dit is een van de grondbeginselen van Gezelle’s onderwijs : leer de jongens zelf waarnemen, activeer hun zelfwerkzaamheid ~ een overbekend geluid nu,’ – maar in Geze11e’s dagen fris en oorspronkelijk vooral als hij dit toe gaat passen in het taalonderwijs, hem weldra wordt opgedragen.
En ondertussen studeert hij zelf hard. Homerus is misschien we1 zijn meest geliefde schrijver, maar daarnaast 1eest hij ook andere klassieke auteurs, bestudeert de christelijke schrijvers van Oudheid en Middeleeuwen en verdiept zich in Duitse, Engelse, Spaanse, Italiaanse en Scandinavische werken.
Zo’n rijke geest moet meedelen en Gezelle krijgt volop gelegenheid uit eigen volheid weg te schenken, als hij in 18S7 de pozie-klasse krijgt. Niet langer meer vormen Latijnse thema’s, Latijnse en Franse redevoeringen de saaie hoofdschotel in deze klas maar:
‘De dichters werden ons een onuitsprekelijk genot; wij lazen de Grieken, Homeros, altijd voort altijd voort; . Aischulos en Sophocles . . .
Wij lazen de Latijnen: minder Vergilius, meer Flaccus en wel de meeste zijne brieven en hekel, Plautus, Terentius, Juvenalis en andere.
Wij proefden Dante,, Tasso, Francesco d’Assisi Fra Jacopone da tedi en Alfonso Maria de Liguori. . .
De Spanjaards en La Serafica Madre Santa Teresa de Jesu . . .
De Engelschen: Shakespeare en Burns en Moore en Longfeflow . . .
Noorsche Dichters, Duitschers en Platduitschers en de Oude Vlamingen, van Maerlant tot Pater Poirters toe. Al de dichters straalden door onzen bewonderenden geest. Een geheele wereld van pozie, de ware, die wij zagen, die wij hoorden, die wij voelden, ontwaakte en stend, op bet gewink van zijnen bevenden vinger, op rondom ons . . .’
Zo onderging de begaafde leerling Hugo Verriest Gezelle’s lessen.
Ook tot het uitdrukken van eigen gevoelens en edachten in de onvervangbare moedertaal spoort Gezelle hen aan. De opgegeven opstelonderwerpen ligg en binnen hun belangstellingssfeer en er komt al gauw een stroom van dichtwerk uit deze posis-klas die, over het geheel genomen, bijzonder talentvol is. Gezelle geeft bet voorbeeld; hij verbetert bet werk van zijn leerlingen of vindt hierin aanleiding tot bet schrijven van nieuwe gedichten. Een vruchtbare wisselwerking ontstaat zo tussen de ontvankelijke klas en de bezielende meester.
Als in I858 een van zijn leerlingen sterft, gaat Gezelle met de hele klas de begrafenis bijwonen. Diep ondergaat hij dit gebeuren en in enkele dagen tijd heeft hij zi n ontroering dichterlijke vorm gegeven in Kerkhofblommen.
Intussen is hij ook al bezig geweest aan een uitgave van andere dichtwerken die kort daarna verschijnt. Dichtoefeningen, opgedragen aan de studenten van Roeselare en door hen enthousiast ontvangen. Buiten West-Vlaanderen vindt Gezelle nog nauwelijks gehoor. toch vinden wij in deze bundel dat oorspronkelijk geluid van Gezelle, dat ~ later nog zoveel sterker zal gaan klinken en dat een wonder van frisheid is naast bet ietwat muffe van taal te traditionele pozie van die dagen, – fris door de verfijnd-zintuigelijke waarneming, neergelegd in een uiterst gevoelige taal. Maar nieuw is dit geluid ook voor Noord-Nederland, waar men nog op de Tachtigers moet wachten voor in de pozie gedaan zal worden, wat Gezelle heel alleen in bet Zuiden doet : breken met alle rhetoriek.
Ook buiten de klas is Gezelle’s optreden totaal nieuw. Hij is voor de jongens een vriend die hen met goedheid en begrip benadert In een tijd dat de afstand tussen pupil en opvoeder nog heel groot is beweegt hij zich onder de jongens bij hun sport en spel en opent zijn kamer voor wie zijn hart eens wil uitsterten of in Gezelle’s boekenkast rondneuzen. Uit heel zijn optreden hartelijk altijd, maar streng als dit nodig is, uit z’n omgang en drukke briefwisseling met de jongens uit de vele gedichtjes ook die hij voor zijn `kinderen’ schrijft, spreekt zijn verlangen hun zielen te leiden naar God. Dit is stoeds zijn diepste bedoeling, al wordt die niet altijd zo nadrukkelijk uitgesproken als in bet volgende vers:
Mocht ik met een dicbtje Uw herte
Winnen, ‘t waar mij~weerd ,
genoeg
dat ik dichtte en dacbte
en werkte
’s navonds late en ’s morgens
vroeg.
Maar ik zou dan wer
dat herte
dragen naar . . . gij weet ? . . .
Genoeg l
‘k Geev’ Hem wat ik win
en werke
’s navonds late en’s morgens
vroeg.
Hij…hij geeft mij voor
mijn werken,
’s navonds late en ’s morgens
vroeg,
blijdschap, meer als ooit
mijn herte
vragen kon. Genoeg!
Genoeg !
Toch, ondanks het diepe inzicht van Gezelle en de zuiverheid van zijn bedoelingen, komen er moeilijkheden rond zijn persoon, zowel door zijn oorspronkelijke wijze ,van lesgeven, die niet altijd rekening houd met lesroosters, exameneisen en het speciale tempo voor zwakke leerlingen nodig, als door zijn manier van omgang met de jongens, tegenover wie hij soms al te goed van vertrouwen is. Er ontstaat een gespannen sfeer, zowel onder docenten als onder de leerlingen, die al gauw partij kiezen voor of tegen Gezelle. De toestand wordt onhoudbaar en de overheid grijpt in door hem eerst zijn pozieklasse te ontnemen en hem kort daarna in 1860 naar Brugge over te plaatsen – een maatregel, die de van grootse idealen vervulde Gezelle fel treft, en waarvan hij het diep knagend verdriet heel zijn leven heeft meegedragen.
In Brugge wordt Gezelle medebestuurder van .een Engelse kostschool en, als die opgeheven wordt, leraar van het Engelse semenarie. Hij bestudeert Engelands katholiek verleden en vindt in Brugge Engelse vrienden, die zijn ideaal: herleving van “Christelijke kunst, delen. Verschillende oud-leerlingen van Roeselare onderhouden nog nauw contact met hem. Als enkelen hem vragen de in omloop zijnde gedichten te mogen uitgeven, stemt Gezelle met de uitgave van de Gedichten, Gezangen en Gebeden. Deze bundel bevat de vele gedichten uit zijn gelukkige tijd, de enkele ook uit zijn eerste Brugse jaren, met weerslag van het leed den scheiding. Deze verzameling vindt weer een enthousiaste ontvangst in eigen Westvlaamse kringen~, maar daarbuiten wordt hij aangevallen – enerzijds om Gezelle’s ver doorgevoerd Westvlaams taalgebruik (men was bang dat dot verzwakkend zou werken op de vorming van een algemeen Vlaams , anderzijds – van liberale zijde speciaal – om het religieuze karakter van zijn werk. Maar Gezelle werkt voort, zo niet als lyrisch dichter – daarvoor ~ is zijn diepste innerlijk te zwaar getroffen – dan toch als hekeldichter. Onder de naam Spoker mengt hij zich in de politieke strijd van die dagen.
Belangrijker is zijn werk als volksopvoeder, wanneer hij in 1865 benoemd wordt tot onderpastor van de St. Walburgakerk. Naast zijn drukke en trouw vervulde priesterlijke plichten, begint hij aan de uitgave van een gezinsblad voor de Vlaming”Rond den Heerd”, waarin hij liturgische onderwerpen en heiligenlevens behandelt, planten en dieren beschrijft en een rubriek geeft met oude volksgezegden en dergelijke.
Gezelle wordt de bezielende kern van een grote groep medewerkers, maar hij is niet in staat het financieel beheer in goede banen te houden; al te veel werk komt op hem alleen neer, en bij al zijn priesterlijk werk groeien de zorgen voor het blad hem over het hoofd. Hij wordt ziek, is dan helemaal niet meer tegen de moeilijkheden opgewassen en als bij daarbij, nog hoort dat zijn dienstbode die op zijn naam schulden heeft gemaakt, hem in Brugge de over de tong doet aan, geeft hij het op~ en gaat heen ~ voor de tweede maal diep ontgoocheld. Hij vindt toevlucht een toevlucht bij een begrijpende vriend, de deken van Kortrijk, die ook gedaan krijgt dat Gezelle daar in 1872 tot onderpastor wordt benoemd aan de O.L.Vrouwekerk.
Nu lijkt bet of de lyricus Gezelle voorgoed gaat zwijgen – a1 te zeer gekwetst door bet leven.
Doch weer is daar de genezende kracht van zijn diep-beleefd priesterschap an hartelijkheid en begrip bij goede vrienden, van regelmatig’week en voortdurende studie. En ook het verblijf te Kortrijk werkt mede de stad aan de Leye, de stad van de Gulden Sporenslag, met het rijke verleden dat Gezelle zo lief heeft.
Hij werkt door aan de culturele verheffing van zijn volk ~ Gelegenheidsgedichten maakt hij veel in die tijd – zijn Zielgedichtjes worden graag gelezen – en in de loop der jaren wordt hij de populaire volksdichter in Kortrijk.Maar zijn diepste wezen blijlft nog gesloten ook al komt hij in 1880 te een nieuwe uitgave: de bundel Liederen Eerdichten et Reliqua. Het is een bonte verzameling, waar in de Eerdichten~ Gelegenheidsdichten) bet grootste deel vormen, naast knappe vertalingen en geestige verhalen in dichtvorm.
Ook deze keer vindt zijn werk geen waardering buiten West-Vlaanderen. De bundel wordt daar eenvoudig doodgezwegen.
Zijn taalstudie zet Gezelle voort. Een nieuw blad geeft hij uit, `Loquela’ genaamd, “voor allen die hen gelegen laten aan eigene Vlaamsche tale, als uitinge van eigen Vlaamsch wezen en leven.” Met een groep van medewerkers gaat hij voort woorden te verzamelen, immers `oude woorden zijn meer weerd als oude gesteenten.’ (Na’zijn dood laat Gezelle wel 150.000 “papierlingskes” na, dat wil zeggen papiertjes met woordverklaringen !)
Ondertussen werkt hij aan de vertaling van The Song Of Hiawatha, bet meest bekende werk van Longfellow, die in de Westeuropese landen een grote populariteit geniet. In deze vertaling komt de heel eigen woordkunst van Gezelle duidelijk uit; het is werkelijk een herdichten en in verfijnde taal~nuancerlng overtreft hij zelfs meermalen bet oorspronkelijk werk.
Zo geraakt Gezelle langzamerhand over zijn diepe inzinking heen. De waardering voor zijn werk begint te groeien. De priesterlijke werkzaamheden worden hem geleidelijk aan verlicht, waardoor hij meet tijd krijgt voor zijn letterkundige arbeid.
In deze periode begint de herbloei van Gezelle’s 1yrisch dichterschap, door de jaren en bet gedragen leed gerijpt tot dieper menselijkheid,tot groter kunstenaarschap. Een stroom van gedichten breekt los, die in I893 onder de naam Tijdkransgebundeld worden. Wel heeft de officile critiek nog altijd bezwaren tegen zijn taalparticularisme, maar Gezelle krijgt een vurig verdediger in August Vermeylen, die hem als de `grootmeester van de VIaamse pozie’ erkent. Ook in Noord-Nederland vindt hij waardering, niet bet minst door de lezin en die Pol de Mont hier houdt om Gezelle’s pozie bekend te maken want men weet weinig van hem, al heeft Alberdingk Thijm reeds in 1859 werk van hem gepubliceerd.
En steeds rijker vloeien de gedichten uit Gezelle’s pen. 1896 vormt een climax in zljn verwonderlijke vruchtbaarheid. Niet minder dan 87 gedichten schrijft hij in dit jaar , sommige in een ruk op bet papier gezet, evenals in zijn eerste dicht-periode, maar de meeste pas na een lang wordingsproces, daarna nog met zorg `hercastijd en herkleed , een moeizaam proces dat zelfs de deze taalvirtuoos doet zuchten:”Men doet ook niet al dat men wilt met de woorden”!
Hij is niet langer tevreden met bet bundelen van zl)n gedichten in een willekeurige opeenvolging; zijn in diepte gegroeide levensvisie zoekt in de ordening van zijn bundels naar een weergave van de ordening, die hij in heel de schepping tegenkomt. zo in Tijdkrans, zo ook in de bundel welke in 1897 verschijnt:Rijmsnoer om en om bet jaar, waarin hij in de opeenvolging der maanden de gang der seizoenen volgt.
Intussen trekt Gezelle zich steeds meer terug, zich concentrerend op het geestelijk leven aan de hand van de veertiende-eeuwse mysticus Ruisbroec, wiens werken hij veelvuldig leest. De vertaling van een theologisch werk, waartoe hij van zijn overheid de eervolle opdracht krijgt, vraagt veel energie. Gezelle voelt zijn lichamelijke krachten afnemen. Wanneer hij zijn verneemt tot geestelijk leidsman in een klooster van Engelse zusters te Brugge – en tweede eervolle uitverkiezing- verzucht hij:” Een oude boom en wilt niet verplant zijn” Maar Gezelle doet – als heel zijn leven door- zonder tegenspraak wat van hem verlangt wordt, al valt het afacheidt van Kortrijk hem zwaar.
Slechts korte tijd is hij terug in zijn geboortestad als hij ziek wordt. Zijn neef, de priester Ceasar Gezelle is bij hem en hoort die laatste woorden, waarin Gezelle zijn eigen wezen tekent:”`Ik geloof dat ik altijd geleefd hebbe in eenvoud en oprechtheid des harten’ en dat ontroerende: “k hoorde zo geerne de vogelkens schuifelen!”’ (fluiten).
27 November 1899 sterft Gezelle.
De gedichten die men in zijn nalatenschap vindt, uit verschillende periodes daterend, worden als Laatste Verzen uitgegeven (1901). Naast objectief beschrijvende natuurgedichten, treffend door een verfijnd picturale visie en uitklinkend door hun enorme vormkracht, vinden wij bier ook verzen waarin Gezelle’s diepste innerlijk opengaat. Begrijpelijkerwijze ontleent deze natuurdichter daarbij zijn beelden veelal aan de natuur,zoals in dat hoogtepunt van de laatste bundel, tevens van Gezelle’s gehele werk: “Ego Flos”.
Wij hebben hiermede de levensweg van Gezelle gevolgd van bet begin in bet eenvoudige, landelijke gezin of tot aan zijn Iaatste verblijf in bet klooster der zusters Kanunnikessen. Met enkele regels willen wij ten slotte nog trachten iets van zijn persoonlijkheid als dichter te schetsen.
Wie Gezelle leest, wordt direct getroffen door bet eigen geluid, bet oorspronkelijk karakter van zijn toon en zijn visie. Al heeft de dlchter de invloeden van vele poten in zich opgenomen en verwerkt, bij de eerste regels herkent men dadelijk’ Gezelle’s vaste greep op rhythme en rijm, bet altijd afwisselend woordenpalet waarmee hij zijn onderwerpen schildert, zijn eigen op merkingsgave, die stoeds weer iets vindt wat anderen nauwelijks de aandacht waard keurden.
hij voor ons allen Gezelle zou nooit zoveel is geweest. prachtige gedichten geschreven hebben als hij niet van jongsaf aan tot in zijn oude dag toe had geluisterd. Geluisterd naar wat anderen hem leerden niet alleen, maar geluisterd ook naar al de stille woorden die de geduldige opmerker verneemt in de wereld rondom hem. Deze innerlijke openheid en ontvankelijkheid voor het schone en het goede in de mensen en in de natuur wordt als het ware tastbaar in dat kleine gedichtje, boordevol van `’geluid’, `Als de ziele luistert .. . .’
.Als de Ziele luistert .
spreekt bet al een taal dat leeft,
‘t lijzigste gefluister
ook een taal en toeken heeft:
blren van de boomen
~kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
‘t diep gedoken Woord zoo zoet . . .
als de ziele luistert.
Voor de religieus gevormde mens wordt in dit gedichtje klaar hoe scherp Gezelle het Woord, dat in zijn Almacht alles schiep,herkende in het leven en bewegen van de dingen in de natuur. Maar elke lezer kan opmerken hoe geduldig en volhardend zijn observatie van dc natuurverschijnselen en gebeurtenissen is geweest om tot zulke nauwkeurige beschrijvingen daarvan te komen. Niet alleen om het verschijnsel zelf brengt hij dat geduld en die aandacht op. Het is alsof hem een innerlijke kracht hem steeds drijft om, in zijn gedichten, een gesprek te voeren met datgene wat hij herkent als het wezen van de dingen in de natuur. De beschrijving van het vlindertje is hem aanleiding om op eigen wijze Augustinus’ woord te vertolken : Ons hart is onrustig totdat het rust in God. Het ruisend riet brengt hem tot de gelijkenis tussen deze plant en zijn eigen gevoelige ziel die door de gebeurtenissen des levens been en weer wordt bewogen. Het schrijverke brengt hem de levenswet voor ogen dat alle ding tot Gods eer geschapen is. Het zien van spade op het veld doet hem een gebed storten voor de arbeider die er zijn brood mee wint. Zelfs de distel, door menigeen veracht en verstoten, ja zelfs officiel door de landlieden op de zwarte lijst van het onkruid geplaatst, ontlokt hem ten slotte de verzuchting dat de distel, hij moge dan geen nut hebben, toch Gods schoonheid onuitroeibaar in zich mededraagt. Het langzaam en moeizaam doordringen van het zonlicht in het bos, op even nauwkeurige als boeiende wijze getekend, herkent hij als een beeld van Gods Licht en Goedheid, die gestadig de donkere boosheid overwint.
Zo zien wij in vele gedichten iets van Gezelle’s innigste zielsgevoelens openbaar worden: niet alleen zijn tere aandacht voor het schone in de natuur, doch ook zijn innerlijke overgave aan de Schepper. Vroomheid is dan ook het kenmerk dat al zijn gedlchten stempelt. Is het niet de directe gekeerdheid tot de Voortbrenger van alle goeds, die hij als priester verkondigt en dient, dan toch zeker is het de liefde tot de evenmens, en bovenal tot de eenvoudige Vlaming.
Het was de vroomheid ook, welke Gezelle in zekere zin heeft gedwongen om te schrijven; datgene wat hem innerlijk ontroerde als het schoonste en het zuiverste, moest hij, wilde zichzelf niet ontrouw worden, ook doorgeven aan anderen.
Zo is zijn dichtoevre geworden: een lof van Gods schoonheid, die hij, in volledige dienstbaarheid aan zijn begenadigd kunstenaarsschap, aan ons heeft nagelaten
E. J. . M. Laudy-Arnolds
bron: Gedichten
uitgeverij Het Spectrum
Utrecht
Antwerpen