Guido Gezelle

1830 - 1899

Guido Gezelle

Leven en Werk van Guido Gezelle
1 MEI 1 8 3 0 wordt Guido Gezelle te Brugge geboren als oudste zoon van Pieter Jan Gezelle en Monica Devriese.
Zijn vader is een rasechte Vlaming – `Pier Jan die geen Fransch en kan’ zegt hij met trots van zichzelf – die van moederszijde gerfd heeft : oorspronkelijkheid en ge zonde levenszin gevoeligheid voor klank en rhythme in , slagwoorden en spreuken, voor volkswijsheid in pittige vorm. Mijn wader was nen aardigaard (een origineel type) zal Guido later getuigen als om aan te geven waar zijn eigen dichterlijke aanleg zijn oorsprong vond. Eveneens bepalend voor de aard van zijn dichterschap zijn de wezenstrekken, van zijn moeder gerfd. Zij is een ernstig-vrome, tot beschouwen geneigde, ietwat levensschuwe vrouw, die haar diepste karaktertrek : een stille weemoed, in Gezelle heeft overgebracht. Wel zullen de diepe teleurstellingen in zijn leven Gezelle’s zwaarmoedigheid in de hand hebben gewerkt, maar ze moet in kiem aanwezig zijn geweest, want ook in gedichten uit de eerste gelukkige leraarsperiode is de mare onderteon der melancholie te herkennen. Dat Gezelle de van vader en moeder geerfde eigenschappen, als tegengestelde krachten in zich voelde werken, bewijst menig gedicht; dat bewijzen soms ook zijn reacties, die nu eens een mensenschuwe onzekerheid van optreden tenen, en dan weer een zelfbewustzijn, dat tot het koppige tee vasthoudt aan eigen inzicht.

Economisch gesproken heeft Gezelle het niet zo best getroffen: zijn vader is weliswaar een vakbekwaam tuinman, maar door de algemene crisis in de Vlaamse landbouw geraakt hij op een steeds lagere trap van welstand, terwijl de zorgen voor het groeiend gezin teenemen. Gebrek aan middelen, – maar geen gebrek aan karakter bij_ deze door en door Vlaamse ouders. Eenvoudig van wijze, waarachtig van aard, gehecht aan de familieband, trouw aan de voorvaderlijke tradities, doortrokken bovenal van het katholieke geloof in een haast nog Middeleeuwse beleving – dat hield hun Vlaams-zijn in.

 

Belangrijker is zijn werk als volksopvoeder, wanneer hij in 1865 benoemd wordt tot onderpastor van de St. Walburgakerk. Naast zijn drukke en trouw vervulde priesterlijke plichten, begint hij aan de uitgave van een gezinsblad voor de Vlaming”Rond den Heerd”, waarin hij liturgische onderwerpen en heiligenlevens behandelt, planten en dieren beschrijft en een rubriek geeft met oude volksgezegden en dergelijke.
Gezelle wordt de bezielende kern van een grote groep medewerkers, maar hij is niet in staat het financieel beheer in goede banen te houden; al te veel werk komt op hem alleen neer, en bij al zijn priesterlijk werk groeien de zorgen voor het blad hem over het hoofd. Hij wordt ziek, is dan helemaal niet meer tegen de moeilijkheden opgewassen en als bij daarbij, nog hoort dat zijn dienstbode die op zijn naam schulden heeft gemaakt, hem in Brugge de over de tong doet aan, geeft hij het op~ en gaat heen ~ voor de tweede maal diep ontgoocheld. Hij vindt toevlucht een toevlucht bij een begrijpende vriend, de deken van Kortrijk, die ook gedaan krijgt dat Gezelle daar in 1872 tot onderpastor wordt benoemd aan de O.L.Vrouwekerk.
Nu lijkt bet of de lyricus Gezelle voorgoed gaat zwijgen – a1 te zeer gekwetst door bet leven.

Doch weer is daar de genezende kracht van zijn diep-beleefd priesterschap an hartelijkheid en begrip bij goede vrienden, van regelmatig’week en voortdurende studie. En ook het verblijf te Kortrijk werkt mede de stad aan de Leye, de stad van de Gulden Sporenslag, met het rijke verleden dat Gezelle zo lief heeft.
Hij werkt door aan de culturele verheffing van zijn volk ~ Gelegenheidsgedichten maakt hij veel in die tijd – zijn Zielgedichtjes worden graag gelezen – en in de loop der jaren wordt hij de populaire volksdichter in Kortrijk.Maar zijn diepste wezen blijlft nog gesloten ook al komt hij in 1880 te een nieuwe uitgave: de bundel Liederen Eerdichten et Reliqua. Het is een bonte verzameling, waar in de Eerdichten~ Gelegenheidsdichten) bet grootste deel vormen, naast knappe vertalingen en geestige verhalen in dichtvorm.
Ook deze keer vindt zijn werk geen waardering buiten West-Vlaanderen. De bundel wordt daar eenvoudig doodgezwegen.

Zijn taalstudie zet Gezelle voort. Een nieuw blad geeft hij uit, `Loquela’ genaamd, “voor allen die hen gelegen laten aan eigene Vlaamsche tale, als uitinge van eigen Vlaamsch wezen en leven.” Met een groep van medewerkers gaat hij voort woorden te verzamelen, immers `oude woorden zijn meer weerd als oude gesteenten.’ (Na’zijn dood laat Gezelle wel 150.000 “papierlingskes” na, dat wil zeggen papiertjes met woordverklaringen !)
Ondertussen werkt hij aan de vertaling van The Song Of Hiawatha, bet meest bekende werk van Longfellow, die in de Westeuropese landen een grote populariteit geniet. In deze vertaling komt de heel eigen woordkunst van Gezelle duidelijk uit; het is werkelijk een herdichten en in verfijnde taal~nuancerlng overtreft hij zelfs meermalen bet oorspronkelijk werk.
Zo geraakt Gezelle langzamerhand over zijn diepe inzinking heen. De waardering voor zijn werk begint te groeien. De priesterlijke werkzaamheden worden hem geleidelijk aan verlicht, waardoor hij meet tijd krijgt voor zijn letterkundige arbeid.

In deze periode begint de herbloei van Gezelle’s 1yrisch dichterschap, door de jaren en bet gedragen leed gerijpt tot dieper menselijkheid,tot groter kunstenaarschap. Een stroom van gedichten breekt los, die in I893 onder de naam Tijdkransgebundeld worden. Wel heeft de officile critiek nog altijd bezwaren tegen zijn taalparticularisme, maar Gezelle krijgt een vurig verdediger in August Vermeylen, die hem als de `grootmeester van de VIaamse pozie’ erkent. Ook in Noord-Nederland vindt hij waardering, niet bet minst door de lezin en die Pol de Mont hier houdt om Gezelle’s pozie bekend te maken want men weet weinig van hem, al heeft Alberdingk Thijm reeds in 1859 werk van hem gepubliceerd.

En steeds rijker vloeien de gedichten uit Gezelle’s pen. 1896 vormt een climax in zljn verwonderlijke vruchtbaarheid. Niet minder dan 87 gedichten schrijft hij in dit jaar , sommige in een ruk op bet papier gezet, evenals in zijn eerste dicht-periode, maar de meeste pas na een lang wordingsproces, daarna nog met zorg `hercastijd en herkleed , een moeizaam proces dat zelfs de deze taalvirtuoos doet zuchten:”Men doet ook niet al dat men wilt met de woorden”!

Hij is niet langer tevreden met bet bundelen van zl)n gedichten in een willekeurige opeenvolging; zijn in diepte gegroeide levensvisie zoekt in de ordening van zijn bundels naar een weergave van de ordening, die hij in heel de schepping tegenkomt. zo in Tijdkrans, zo ook in de bundel welke in 1897 verschijnt:Rijmsnoer om en om bet jaar, waarin hij in de opeenvolging der maanden de gang der seizoenen volgt.
Intussen trekt Gezelle zich steeds meer terug, zich concentrerend op het geestelijk leven aan de hand van de veertiende-eeuwse mysticus Ruisbroec, wiens werken hij veelvuldig leest. De vertaling van een theologisch werk, waartoe hij van zijn overheid de eervolle opdracht krijgt, vraagt veel energie. Gezelle voelt zijn lichamelijke krachten afnemen. Wanneer hij zijn verneemt tot geestelijk leidsman in een klooster van Engelse zusters te Brugge – en tweede eervolle uitverkiezing- verzucht hij:” Een oude boom en wilt niet verplant zijn” Maar Gezelle doet – als heel zijn leven door- zonder tegenspraak wat van hem verlangt wordt, al valt het afacheidt van Kortrijk hem zwaar.

Slechts korte tijd is hij terug in zijn geboortestad als hij ziek wordt. Zijn neef, de priester Ceasar Gezelle is bij hem en hoort die laatste woorden, waarin Gezelle zijn eigen wezen tekent:”`Ik geloof dat ik altijd geleefd hebbe in eenvoud en oprechtheid des harten’ en dat ontroerende: “k hoorde zo geerne de vogelkens schuifelen!”’ (fluiten).
27 November 1899 sterft Gezelle.
De gedichten die men in zijn nalatenschap vindt, uit verschillende periodes daterend, worden als Laatste Verzen uitgegeven (1901). Naast objectief beschrijvende natuurgedichten, treffend door een verfijnd picturale visie en uitklinkend door hun enorme vormkracht, vinden wij bier ook verzen waarin Gezelle’s diepste innerlijk opengaat. Begrijpelijkerwijze ontleent deze natuurdichter daarbij zijn beelden veelal aan de natuur,zoals in dat hoogtepunt van de laatste bundel, tevens van Gezelle’s gehele werk: “Ego Flos”.

Wij hebben hiermede de levensweg van Gezelle gevolgd van bet begin in bet eenvoudige, landelijke gezin of tot aan zijn Iaatste verblijf in bet klooster der zusters Kanunnikessen. Met enkele regels willen wij ten slotte nog trachten iets van zijn persoonlijkheid als dichter te schetsen.

Wie Gezelle leest, wordt direct getroffen door bet eigen geluid, bet oorspronkelijk karakter van zijn toon en zijn visie. Al heeft de dlchter de invloeden van vele poten in zich opgenomen en verwerkt, bij de eerste regels herkent men dadelijk’ Gezelle’s vaste greep op rhythme en rijm, bet altijd afwisselend woordenpalet waarmee hij zijn onderwerpen schildert, zijn eigen op merkingsgave, die stoeds weer iets vindt wat anderen nauwelijks de aandacht waard keurden.
hij voor ons allen Gezelle zou nooit zoveel is geweest. prachtige gedichten geschreven hebben als hij niet van jongsaf aan tot in zijn oude dag toe had geluisterd. Geluisterd naar wat anderen hem leerden niet alleen, maar geluisterd ook naar al de stille woorden die de geduldige opmerker verneemt in de wereld rondom hem. Deze innerlijke openheid en ontvankelijkheid voor het schone en het goede in de mensen en in de natuur wordt als het ware tastbaar in dat kleine gedichtje, boordevol van `’geluid’, `Als de ziele luistert .. . .’

.Als de Ziele luistert .
spreekt bet al een taal dat leeft,
‘t lijzigste gefluister
ook een taal en toeken heeft:
blren van de boomen
~kouten met malkaar gezwind,
baren in de stroomen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
‘t diep gedoken Woord zoo zoet . . .
als de ziele luistert.

Voor de religieus gevormde mens wordt in dit gedichtje klaar hoe scherp Gezelle het Woord, dat in zijn Almacht alles schiep,herkende in het leven en bewegen van de dingen in de natuur. Maar elke lezer kan opmerken hoe geduldig en volhardend zijn observatie van dc natuurverschijnselen en gebeurtenissen is geweest om tot zulke nauwkeurige beschrijvingen daarvan te komen. Niet alleen om het verschijnsel zelf brengt hij dat geduld en die aandacht op. Het is alsof hem een innerlijke kracht hem steeds drijft om, in zijn gedichten, een gesprek te voeren met datgene wat hij herkent als het wezen van de dingen in de natuur. De beschrijving van het vlindertje is hem aanleiding om op eigen wijze Augustinus’ woord te vertolken : Ons hart is onrustig totdat het rust in God. Het ruisend riet brengt hem tot de gelijkenis tussen deze plant en zijn eigen gevoelige ziel die door de gebeurtenissen des levens been en weer wordt bewogen. Het schrijverke brengt hem de levenswet voor ogen dat alle ding tot Gods eer geschapen is. Het zien van spade op het veld doet hem een gebed storten voor de arbeider die er zijn brood mee wint. Zelfs de distel, door menigeen veracht en verstoten, ja zelfs officiel door de landlieden op de zwarte lijst van het onkruid geplaatst, ontlokt hem ten slotte de verzuchting dat de distel, hij moge dan geen nut hebben, toch Gods schoonheid onuitroeibaar in zich mededraagt. Het langzaam en moeizaam doordringen van het zonlicht in het bos, op even nauwkeurige als boeiende wijze getekend, herkent hij als een beeld van Gods Licht en Goedheid, die gestadig de donkere boosheid overwint.

Zo zien wij in vele gedichten iets van Gezelle’s innigste zielsgevoelens openbaar worden: niet alleen zijn tere aandacht voor het schone in de natuur, doch ook zijn innerlijke overgave aan de Schepper. Vroomheid is dan ook het kenmerk dat al zijn gedlchten stempelt. Is het niet de directe gekeerdheid tot de Voortbrenger van alle goeds, die hij als priester verkondigt en dient, dan toch zeker is het de liefde tot de evenmens, en bovenal tot de eenvoudige Vlaming.
Het was de vroomheid ook, welke Gezelle in zekere zin heeft gedwongen om te schrijven; datgene wat hem innerlijk ontroerde als het schoonste en het zuiverste, moest hij, wilde zichzelf niet ontrouw worden, ook doorgeven aan anderen.

Zo is zijn dichtoevre geworden: een lof van Gods schoonheid, die hij, in volledige dienstbaarheid aan zijn begenadigd kunstenaarsschap, aan ons heeft nagelaten

E. J. . M. Laudy-Arnolds

bron: Gedichten
uitgeverij Het Spectrum
Utrecht
Antwerpen