Jan Pieter Heye

1809 - 1876

Jan Pieter Heye

 

Een karretje op een Zandweg reed;
De maan scheen helder, de weg was breed,
Het paardje liep met lusten.

In ‘t groene dal in ‘t stille dal,
Waar kleine bloempjes groeien
Daar ruischt een blanke watervel,
En druppels spatten overal,
Om ieder bloempje te besproeien…..
Ook ‘t kleinste!

Uit den grijs bemosten toren
Dringt der klokken hel geluid

Zie!.....op goudbetinte wieken
Daalt de pasgeboren Mei.

Klewin vogelijn op groene tak
Wat zingt ge een lustig lied!

Wie zingt er met Sinterklaas zonder te weten dat de woorden van J.P. Heije zijn:
Zie de maan schijnt door de bomen.

Tegen drankmisbruik waarschuwde hij in het gedicht De kroeg, dat begint met Al in de Plantage, daar is een kroeg, en in een gedichtje,niet zonder ironie, Verdrinken, waarvan het eerste couplet luidt:

O Diepe zee, o wijde plas!
Wat ligt er in uw golven
Al menigeen bedolven!....
Maar toch!—Hoe groot het aantal was
Van hen, die in Uw afgrond zonken,
Toch zijn er vrij wat mr verdronken
In een klein jeneverglas
In Oost-indi wijst hij op de schhuld, die het Nederlandse volk heeft tegenover Indi, zodat hij in zeker opzicht een voorloper is van Multatuli.