De eerste tekst die ik ooit op muziek heb gezet is een tekst van de Haarlemse schrijver/journalist Harry Prenen
De tekst sprak mij zeer aan en omdat ik de melodie niet kende heb ik er maar zelf één bij gemaakt.
Het bleek een schot in de roos, want het bleek dat niet alleen ik de tekst leuk vond, maar ook anderen.
Gij dames en gij heren, komt en luistert naar mijn lied
Naar wat wonderlijke dingen er te Wognum zijn geschied:
Hoe daar een maagd van twintig jaar drie schurken was te gauw
zoals dat wel 'ns meer gebeurt met enen zwakke
vrouw
"t Was midden in november en de nacht was wild en woest
De waakhond van de boerderij, die sliep, en hield zich koest
De maagd zat in het achterhuis, alleen aan spinnewiel
Te naaien en te
stoppen aan haar vaders blauwe kiel
Zij had twee handen aan haar lijf van werken nimmer moe
Geen wonder want zij melkte reeds voor dag en dauw de koe
Een maagd die zulke dingen doet is voor de dood niet bang
Voor spoken op de vliering en voor muizen in 't behang.
Maar buiten in de duisternis was het die nacht niet pluis
Drie rovers slopen heimelijk op sokken om het huis
Ze wisten:al de boer zijn geld zat ergens in een kist
Zij hadden zwarte maskers voor en riepen telkens pssst...!
De eerst wou van 't lieve kind dat binnen zat een zoen
En voorts wat een ellendeling met vrouwen pleegt te doen
De tweede was een moordenaar, vol bloedwraak en geweld
De derde was een bankroetier die aasde op het geld.
De maagd dacht: Wat komt vader laat....
en keek door 't vensterruit
De nacht in: Maar - God sta ons bij - ! Pal in zo'n boevensnuit
Ze zei geen boe, Ze zei geen ba, ze zeeg niet op de grond
Maar holde naar het kelderhok,alwaar de geldkist stond,
uit: Straatmadelieven van Tjaard W.R. de Haan
Prismareeks uitgeverij Het Spectrum.
En bovendien een molensteen en ook een worstmachien
Wat dat ermee te maken heeft geduld dat zult ge zien
Want God helpt ieder uit de nood die zelf een uitweg weet
Dus hield zij boven aan de trap de molensteen gereed.
De eerste kroop door 't keldergat met ontucht in 't gemoed
In lichterlaaie stond zijn hart van hete minnegloed
Doch eer hij van haar rode mond, een kus gestolen had,
Pats! Viel de molensteen omlaag en lag de rover plat.
De tweede kroop door keldergat en dorstte naar haar bloed
Doch- God zij dank- de pauweveer op zijn Garbaldihoed
Die raakte in de worstmachien, meteen greep zij het rad
En draaide toen zijn bloeddorst tot zij bloedworst had.
Vol geldzucht sloop de derde op zijn tenen naar de kist,
Maar ach wat weet een duitendief van vrouwelijke list
De deksel stond omhoog,.. de maagd sloeg heimelijk hem ga
Het geld lag
handenvol te grijp; de rover riep:-Ha, ha!
Hij stak zijn stomme kop erin.. Pang! sloeg de deksel dicht!...
Meteen de maagd erboven op, de rest deed haar gewicht
Zo sneed zijn levensdraad in twee, want voordat hij het wist
Lag daar zijn torso op
de vloer, zijn hoofd viel in de kist
Zo werden plots drie rovers van hun voortbestaan beroofd
Gedrieën door een maagd alleen en wie dat niet geloofd
Die moet maar eens naar Wognum gaan, daar staan ze lang verjaard,
In
't raadhuis ter gedachtenis op brandewijn bewaard,
Daaronder meldt een etiket de oorzaak van hun sterven
een meisje brengt vaak mans genoeg drie mannen ten verderven!
Luister huiverend naar de ballade van de Maagd van Wognum