Mijnheerken van Maldeghem
Ging er al buiten jagen,
Drie mijlkens buiten Brugge,
Daer stond een linde breed,
Hij vond en vond er niets ter jagte
Dan een herderken kleene;
Hij moest hem tegenkomen,
Het was hem lief of leed.
"Wel herderken, wel herderken!
Ik zou u er geiren vragen:
Wat wonder avonture
Is in dit bos te zien?
Van waer komt deze horen,
Mijn overschoonen horen?
Als ik hem laetst aanschouwde
Behoorde hij aan mijn."
"Mijnheerken van Maldeghem,
Ga hier uit onze strate!
Want deze schoone horen
En gaet er u niet aen;
Blies ik op mijnen horen,
Mijn overschoonen horen,
De zesendertig ketelaers
Al zouden wezen gram."
Mijnheerken van Maldeghem
En wilde 't niet gelooven,
Hij nam hem ende zette hem
Aen zijn rooden mond,
De zesendertig ketelaers
Kwamen uit 't bosch gesprongen,
Gelijk de wilde hazen
Voor eenen tamme hond.
"Houdt op, o kameraden
Van kappen ende kerven!
En slaat er toch mijnheerken
Van Maldeghem niet dood!
Ik heb met hem gereden
Door dorpen ende steden,
Zeven jaar gedronken
En geten van zijn brood"
Mijnheerken van Maldeghem
Die schoot al in zijn tassche
En gaf drie gouden penningen
Aen dezen herder koen.
"Wij zijn ons zesendertig
Mann' van avonturen
Er is voor d'een of d'ander
Geen kouzen ofte schoen.
Mijnheerken van Maldeghem
Gij moet ons hier beloven,
Gheel vaste gaen beloven
Al op uw eerlijkheid,
Dat gij het niet zult zeggen
Of met geen penne schrijven,
Als dat het bosch van Maldeghem
Met roovers is beleid."
Mijnheerken van Maldeghem
Die heeft stille gezwegen,
Hij en heeft het met geen pennen
Geschreven of gezeid,
Maer heeft met zijnen voete
Te Brugg' in 't zand geschreven
Al dat het bosch van Maldeghem
Met roovers lag beleid "