Molentje een gedicht van Jan Prins

Nachtwake

Jan Engelman

Nog stil en stiller ingetogen
lief, moet uw smalle voetstap zijn;
er ligt in ieder woord een logen,
in iedren oogopslag venijn.

Maar bij het duister dezer tuinen
de lamp van uw geduldigheid
heeft al de hoge, wilde kruinen
metduurzaam glanzen opgeleid.

Gij zijt de zon, het overnachten
des lichts in de ongeplooide tent,
die, schuilplaats van geheime krachten,
geen avonden geen uchtend kent.

Uw armen gaan als witte zwanen
die halswaarts over 't vijvervlak
zich edel-slanken doortocht banen,
totdat de stroom hun aandrang brak.

o stroom, die in mijn lijf gestegen
dit zilverblanke strand bevloog,
- zij komt uw stagen golfslag tegen
en leest uw kort bevel in 't oog.

o bleke heup, op bed gevonden
als horizon en heuvelkam,
o borsten, zachter neergewonden
dan donzen vogels, vleugellam -

'k zal uw volkomenheid begeren
en tel geen logen, geen venijn,
tot uw beschermend leven keren
en klinken en extatisch zijn.

En dit gelaat, zo doodlijk zeker
van bitterheid en lange pijn?
Aan hare lip zet zij den beker
en laat het dagen, laat het zijn.

Muziek: Anton Greefkes


Luister hier naar "Nachtwake"