In zijn ‘Journael ofte Gedenckwaerdige beschrijving van de Oost-Indië Reyse’ verteld Willem Ysbrandtsz. Bontekoe (1587- na 1630) hoe hij eens, in het nauw gebracht door enkele inwoners van Sumatra, zich uit de moeilijkheden wist te redden door enkele liederen te zingen; de inlanders waren stomverbaasd en deden hem geen kwaad.
Potgieter maakte over dit voorval een aantal gedichten als zouden het de liederen zijn die Bontekoe daar ter plekke zou heeft gezongen.
uit: Verpreide en nagelaten Poëzy I
H.D. Tjeenk Willink, Haarlem
Het mildste zonneschijntje
Verleent het landschap kleur
Noch geur,
Als ‘t gulden Rijnsche wijntje,
Den roemer , dien ik beur;-
Wie zou druilen,
Wie zou pruilen,
Die ‘t zag blaken,
En mogt smaken?
‘k Roep tot morgen
Vaarwel aan mijn zorgen,
Als ik druiven-zonlicht speur!
Hoe lokt het uit mijn vedel,-
Veel bloempjes draagt in Mei
De wei,-
Die liedenkens zoo edel,
Dat allerzoetst gevlei:-
“Vlugge lansje”
“Kom een dansje~!”
“Aardig zusje!
“Geef mij een kusje!-
En de voetjes
Zij tripp’len al zoetjes,
IJlings zwiert een bonte rei!
Al menig scheepjes-helling
En zoo ‘t pietje doet,
Ook goed!
Glijdt langs de gladde helling
Van mijn’ versleten hoed:-
Oude manneke,-
Nog een kanneke,-
En, mooi-Klaertje!
Nu je vaertje
Niet zal kijven,
Och! laat me bedrijven,
Speelmans knepen zijn ook zoet!