Poëtisch Panorama
Poëzie uit de Zuiderlijke Nederlanden 1830 tot 1890
bron: inleiding van
Albert Westerlinck
van de uitgave van het Davidsfonds-Leuven 1962
Zij ontwikkelt zich ook in een artistiek-bewustere atmosfeer, terwijl in het Zuiden het esthetisch bewustzijn zich slechts traag ontwikkelt. De lezers van het Noorden behoren bovendien tot een hoger ontwikkelde burgerlijke stand, terwijl de meeste Vlaamse dichters, uit de volksklas gesproten, schrijven voor liet gewone volk of voor een schamele elite uit de kleine burgerij, want de hogere burgerij is verfranst. De realistische periode, die in de Nederlandse poëzie circa 1840 aarzelend aanvangt, heeft al evenmin een hoog en in Europees opzicht waardeerbaar peil bereikt. Zoals voor de romantiek geldt voor het realisme, dat het zin voor grootheid en doctrinaire volstrektheid mist. In het Noorden zoals in het Zuiden ontwijkt het realisme alle extremen, alle radicale toepassingen van zijn kunstleer. Het wordt een zoetwater-realisme, door conventies beperkt, door romantisch gevoel verzacht en door gemoedelijkheid gedempt. Duidelijk reageren de dichters van het realisme tegen de excessen van de romantici, hun sentimentaliteit, gezwollenheid, onwaarschijnlijkheid en retorische wijdlopigheid, doch zij blijven meestal steken in een zeer beperkte en met zacht sentiment doordrongen schildering van de werkelijkheid. Zowel in Vlaanderen als in NoordNederland treffen de beperktheid van de milieuschildering, de begrensdheid van het gevoelsleven, de kleinburgerlijke matigheid in de observatie en kritische bejegening van het leven. Typisch is die neiging ook in de ironische humor die na 1840 in beide gewesten van onze literatuur tot uiting komt. Het is de humor van een jonge generatie die haar romantische Weltschmerz al glim- of grimlachend relativeert en zonder veel moeite een positieve levensharmonie aanvaardt in de begrensdheid van het leven. De meeste poëzie uit ons realistisch tijdvak is anecdotisch. Zij ontleent haar motieven aan het eenvoudige dagelijkse leven -de liefde, het huwelijk, de huiselijke omgang, de vroomheid, de natuur, het volksleven. Zij berust op waarneming, die haar scherpe nauwkeurigheid echter gemakkelijk prijsgeeft voor neiging tot idealisering en doordrongen is met sympathie. Vooral in Vlaanderen. doch ook in het als nuchter bekende Noorden, overschrijdt het gevoel van de realist wel eens de grenzen van de sentimentaliteit ~ men denke aan de Genestet, de Lovelings en Dautzenberg - en vaak wordt het observatiebeeld met moralisatie vermengd. In heel het Nederlandse taalgebied scheen deze mengeling van zachte werkelijkheidsliefde en teder idealiserende gevoeligheid te beantwoorden aan de diepste behoeften van het lezende volk.
2