Poëtisch Panorama

Poëzie uit de Zuiderlijke Nederlanden 1830 tot 1890

bron: inleiding van

Albert Westerlinck

van de uitgave van het Davidsfonds-Leuven 1962
Bladzijde 2

1 2 3 4 5 6 7

gevangen zijn, zich niet te ver van de natuur hebben verwijderd om deze eenvoudige landelijke dichtkunst nog ten volle te genieten. De Vlaamse poëzie van de 19e eeuw is door en door landelijk. Vertoeven in de kleine wereld van deze dichtkunst is vredig wandelen door het landelijke Vlaanderen, waar vanaf Van Duyse tot Van Langendonck de gouden korenvelden eeuwig golven en waar de boekweit van Ledeganck en de tarwe van De Mont even eeuwiglijk ruisen, waar de groene weiden voor iedere dichterlijke blik eindeloos bloeien en met onnoemelijk bonte tapijten van liefelijk geurende bloemetjes zijn versierd. Daartussen slingeren, als in een wonderland, zilveren beekjes en kronkelen lommerige veldwegen, die de zalige wandelaar schaduwrijke verpozing of lust tot vrijage schenken. Daar bloeit ook de Dautzenbergse hazelaar. In de verte liggen hier en daar hoeven verspreid of lokt een landelijke herberg aan de baan, waar af en toe een postwagen voorbijhobbelt, en ginder rijst een spitse dorpstoren, die van Maria Doolaeghe over Van Beers tot Dela Montagne het vrome Angelus klept. Boven dit beminnelijk arcadia hangen onophoudelijk de zingende vogels in het zonnige uitspansel, in die onveranderlijk 'blauwe sferen' die men van Ledeganck tot Van Langendonck bezingen hoort. Zulke wandeling in gezelschap van schier alle Vlaamse natuurdichters, van Maria Doolaeghe tot Pol de Mont, herinnert mij aan die stille en tevreden zomerzondagnamiddagwandelingen, die ik in mijn jeugd samen met vader, moeder en zuster, in de velden rond ons dorp heb gemaakt -- weliswaar enkel op die al te zeldzame zondagen waarop het weder zeer mooi was. Bij onze dichters echter zijn de lentes altijd glanzend mooi, de zomers schitterend en warm, de morgens zonnig en fris, de avonden stil en vredevol. Zonder somber regenweer, omnevelde horizonnen,

3