Poëtisch Panorama
Poëzie uit de Zuiderlijke Nederlanden 1830 tot 1890
bron: inleiding van
Albert Westerlinck
van de uitgave van het Davidsfonds-Leuven 1962
Bladzijde 4
1
2 3 4 5 6
7
Wel vindt men glimpen van geloof in de paradijselijke zaligheid die de natuur ons symbolisch openbaren kan, in de poëzie van Ledeganck en Van Duyse en tientallen na hen. Meer dan een halve eeuw later zal Arnold Sauwen nog zijn 'Vaderhuis' dromend omgeven met al de wijding van een patriarchaal, haast bijbels mysterie. Helaas, te zelden krijgt het natuurbeeld zulke diepte en sacrale wijding. Het is of een vreesachtige gematigdheid, soms zorgvuldig achter retorische pathos en frasen gecamoufleerd, de Vlaamse (en Nederlandse!) dichter belet zich ten volle over te geven aan de genaden van de zielsverrukking. Hij blijft verwijlen binnen de vaste grenzen van het bewuste gevoel en schrijft van daaruit over de natuur, in plaats van, door intuïtieve communie met de ziel der dingen, hun diepste wezen zelf te bereiken en in de taal te vangen. Daarom ligt het opperste bereiken van onze natuurpoëzie - enkele zeldzame extatische bladzijden niet te na gesproken - in een delicate stemmingskunst, die een min of meer vergeestelijkte natuurindruk in gevoelig melodische verzen vangt. Men vindt reeds zulke atmosferische momenten, met vloeiende taalmuziek doordrongen, in het beste werk van Ledeganck, en gans de eeuw door, tot in de latere generaties waartoe Verriest, De Mont, Van Langendonck, Sauwen e.a. behoren. Het is bescheidene, maar eerlijke en stemmige natuurpoëzie.
Een der lievelingsgedaanten van de mens in de Vlaamse dichtkunst is de landman, die in het dorp of op de boerderij in de gezegende natuur zijn noest en nederig leven leidt. Zijn levenswijze is sober. De hymne van Ledeganck op de boekweit vindt haar laatste climax in de evocatie van de nederige maaltijd die het gezin geniet aan de aartsvaderlijke haard
Dra was 't aan de dis gezeten,
Waar 't een feestgerecht mocht eten, W
aar noch specerij noch wijn
Bij behoefde, om alle smarten
Te doen vlieden uit de harten;
En wat mocht dit feestmaal zijn?
O! wat zou het anders wezen
Dan 't aartsvaderlijk gebak,
In ons Vlaanderen steeds geprezen
Onder 't veldelijke dak?
In zijn onvergetelijk gedicht Terug laat Gezelle heel het bewogen, van ontroering soms haast sprakeloze herinneringsbeeld van zijn bezoek aan het geboortehuis van zijn moeder, culmineren in de droom van een schamele koffiemaaltijd rond de ruwe boerentafel:
Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerdet gij,
groot was uw hert!
Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer ate ik roggebrood,
naast LI, aan het berd!
En ook Van Beers laat zo gaarne zijn nederige landman, die hij met een onzichtbare aureool van landelijke, haast bijbelse eenvoud omstraalt, 's avonds na de vermoeiende dagtaak vroom en tevreden zijn avondpap uitlepelen. Dat alles is Vlaams. Misschien zal deze rurale en klein-volkse levensstijl sommigen doen glimlachen om zijn beperktheid: voor mij heeft hij óók zijn charme en schone wortelvastheid.
Af en toe duikt wel eens de kleinstad op. Alle Vlaamse steden zijn in de dichtkunst van vorige eeuw kleinsteden. De dichters beleven ze kleinburgerlijk, amper zelfs, want vooral volks. Stadsbeelden die aan bod komen bij Vuylsteke, Dodd, Van Beers of wie ook, hebben op hun manier dezelfde bescheiden beperktheid die de landelijke dichtkunst kenmerkt. Hoe opvallend verschilt de Vlaamse letterkunde in dit opzicht van de zelfbewuste burgerlijke geest, die in de gelijktijdige literatuur van het Noorden overheerst!
Onder alle menselijke verhoudingen krijgt de familie de meest liefdevolle aandacht. Zij wordt bezongen in een intieme, wijdingvolle sfeer. Een der mooiste gedichten uit onze romantiek is de elegie Natalia van Prudens van Duyse, een verheven hulde aan de bloedverwantschap die de echtgenoten en hun kroost onderling in een diep gevoelde en sacrale band samensnoert.
5