Poëtisch Panorama
Poëzie uit de Zuiderlijke Nederlanden 1830 tot 1890
bron: inleiding van
Albert Westerlinck
van de uitgave van het Davidsfonds-Leuven 1962
In de liefdebeleving ontwijkt de Vlaamse dichtkunst van de 19e eeuw angstvallig de hemelen van extase en de hellen van drift en conflict om met beide voor
zichtige voeten te wandelen in een kleine, nabije hei
mat van idealiserende rust. Het klinkt onthutsend dat
juist een priester, met name Guido Gezelle, de eerste
is geweest om de liefde --- en wel de bijzondere, die
vriendschap heet - in haar volstrektheid te bezingen,
met al haar extreme tegenstellingen van jubel en
wanhoop, angst en verrukking. De eigenlijk erotische
poëzie is meestal kalmer. De jonge vrouw verschijnt
doorgaans als de 'maagd', de onaanraakbare, fysisch
frisse maar vaag getekende schoonheid, die teder en
vroom. met min of meer platoniserende verering wordt
gehuldigd. Heel de 19e eeuw door zal de idyllische,
frisse schoonheid van dit tot fee omgetoverde volks
kind in de Vlaamse liefdepoëzie op de troon worden
geheven. Nog zal de laatste generatie vóór Van Nu
en Straks haar reine bloei met stille, kalme gevoelens
! vereren. Z6 bezingt Arnold Sauwen de 'bloem der
meiden' en Victor dela Montagne, die zijn 'schalkse
en blonde' vereert, voelt door haar zijn 'gedachten gereinigd, kalm en goed'.
De vrijage krijgt haar fris en zonnig verloop in de
pastorale lentenatuur, zoals Dautzenberg ze levens
long bleef dromen, of in het gemoedelijke binnenhuis,
zoals Dodd het zacht bezong. Kloeke, gezonde, soms
uitbundige zinnelijkheid vindt men wel eens bij onze
' realistische volksdichters, Frans de Cort, Emmanuel
Hiel, J. de Geyter, of bij ironisten als Vuylsteke en
Dodd. Aan hun pen ontsnapt af en toe een pikante
stoutigheid, zoals de radde Nolet die vroeger wel eens
aandurfde. Rond de negentigerjaren zal Pol de Mont
de zinnelijke passie in vuriger toon en met vlammen.
der verbeelding bezingen. Maar, kan men ook bij
hém van levensdiepe hartstocht spreken?
Dieper accent en bewogenheid krijgt de erotiek in de wilde Sturm und Drang van Rodenbach, in de stille, haast verzwegen elegieën van Victor de la Montagne en in de cerebrale passieverbeeldingen van Prosper van Langendonck. Toch verschijnt de eros in de dichtkunst van vorige eeuw, algemeen gezien, als een rustige levensharmonie, waarin liefelijke zinnelijkheid en tedere idealisatie gemakkelijk tot een beperkt en voorbeeldig evenwicht komen, dat zich bestendigt in een zachtaardige huiselijkheid, zoals Alfred de Smet die in zijn Saaibol heeft gedroomd.
6